Monthly Archives: november 2015

Stormvogels

By | Alle daagjes | No Comments

Sjonge, jonge, dat was me het windje wel weer gisteren. Nummertje drie op de versnellingshendel moest worden aangeroepen om de wielen nog enigszins in beweging te houden. Bij elke stormstoot die meneer de Wind uit zijn getuite lippen perste, schoot ik in een bulderende lach. Niet dat ik hem uitlachte hoor, met alle respect. Moest lachen om het speelse gevecht wat we samen leverden. Dode takken, striemende regenvlagen en een laatste beukennoot die gemeen hard mijn voorhoofd schampte. Mijn schik had ook te maken met een plots opkomend vergelijk wat ik maakte tussen mij en Pegasus. Qua snelheid moest ik door de natuurkrachten onderdoen voor het mythologisch, gevleugelde paard. Dat wel. ´t was meer de gedachte daaraan. Wat zou ik een snelheid gemaakt hebben. Vast zodanig dat ik een extra rondje langs het bovenraam van de buren gemaakt zou hebben. Jampie als een vliegend paard. ´t had vast indruk gemaakt hihi. Nee, ik had mijn eigen, meer bescheiden krachten meer dan nodig lager bij de grond vooruit te komen. Ingewikkelde of ingewikkeld gemaakte natuurkundige berekeningen waag ik me niet aan. Niet nodig ook voor me. Toch vocht ik een (onschuldig hoor) robbertje uit met de wetten van de natuur. Plaats nemen op het fietszadel doe ik met de bedoeling voorwaartse meters te maken. logisch, want doe ik niets dan val ik om. Das duidelijk lijkt me. Nu moest mijn tegendruk minimaal meer zijn dan die van meneer de Wind. Dit alles met een zodanige snelheid dat er van naar links, dan wel rechts kantelen geen sprake zou kunnen zijn. Dus is mijn conclusie dat ik zowel de zijwaartse als de voorwaartse krachten heb opgebracht en me voor het moment even winnaar mocht noemen. En victorie te krijsen. Vandaar mijn schaterlach temidden van het natuurgeweld. En ik was alleen, geen andere windbuilen bij ‘t pad. Maar toch, als de natuur wil, maakt ie korte metten met grote mensen. Maar waarom zou ze? We kunnen het samen best rooien. Ons niet alles toe-eigenen, elkaar samen wat gunnen. Dan krijg je geen kwaaie gezichten van meneer de Wind en geen gedonder in de glazen van Donar. ‘k draai mijn kop tegen de wind. Straks voor de wind.

©J.G. Boomsma

(Be)zinnen

By | Alle daagjes | No Comments

Zondagochtend…rust… ‘t zit in ons “systeem”. Niet over na denken waarom. Genieten man. Langzaam, maar zo zeker, gaan we de periode van bezinning in, voor velen van ons. Das ook mooi. De zin van alles zit voor mij niet in letters, gebakken van bladerdeeg of gegoten in chocolade, aangeklede sparrentakken of andere jolijt (dit jaar zijn in alfabetische volgorde de letters I en S al uitverkocht). Ik zoek wel andere letters waar ik een woordje van kan maken. Letters waar ik anderen gelukkig mee kan maken. Geen kouwe drukte. Gewoon uit ‘t hart. De lach of traan ontmoeten bij die ander. Geen hele zinnen hoor, dat lukt me niet. In alle rust bezinnen, nadenken, dankbaarheid voelen. Niet overal is een antwoord op. Dat geeft ook niet. We willen vaak zoveel weten, maar elk antwoord roept ook weer nieuwe vragen op. Das niet te doen toch, kan daar geen chocola van maken. Achterom kijken naar letters die achter me liggen of welke zich nog mogen vormen in ‘t pad wat voor me ligt, kan zin hebben. Maar even stilstaan in het nu is ook mooi, vind ik. Heeft ook zin. Maar kan ook moeite kosten, wanneer de wind om ons heen waait, ons uit evenwicht brengt. Ik denk aan buigende sparren. Wat zijn ze sterk. Zij staan in weer in wind, wij kunnen daar voor schuilen. Voel me dankbaar daarvoor. Het geeft  rust en kracht. Tis zondag. Das mooi.

©J.G.Boomsma

Gabriël…

By | Alle daagjes | No Comments

Gisterochtend om kwart over acht nam ik plaats op het zadel. Meestal rij ik doelloos, want dat geeft druk in de kop. Maar de ritjes naar ‘t Groninger land zijn hier een uitzondering op. Mooi is dat altijd. Lekker vroeg op weg om sommige broers en zussies en mien mamme weer even te zien. In de tas: anderhalve liter water, vier boterhammen met kaas, een gekookt ei. In de binnenzak, Nico en Tine, maar die moeten niet zemelen. Mogen al lang blij zijn dat ze mee gaan. Ze roken me te veel. Onplezierig stel wat zich aan mij opdringt . De gebruikelijke route nemend, viel me opnieuw geklapper bij de voorvork op. Al enige weken hoorde ik dat hinderlijke geluid, maar kon steeds niet ontdekken wat het euvel was. Piepjes, kraakjes en rammeltjes werken op mijn zenuwen. ‘t hoort niet zo en het voelt onheilspellend voor me. Bij het mooie Paterswolde ga ik vaak even een kleine boodschap doen, zo niet vanochtend. Kleine Jampie hield zich rustig, dus besloot ik de ouwe eik rechts te laten staan en door te rijden. In het centrum van Groningen, afremmend voor een verkeerslicht schrok ik. Het was of het voorwiel niet gesloten tussen het vorkje zat, er zat speling in. Omdat ik geen gereedschappenkar, stethoscoop en andere revisiesets meesleep op mijn ritjes, was een schaapachtige blik richting voorwiel het enige punt van aandacht. Bij het sein “groen” zette ik daarom maar weer flink aan. Met een scherpe inhaalmanoeuvre passeerde ik een elektrisch ondersteund ros en wilde nu toch liefst zo snel mogelijk bij zussie zijn. Daar aangekomen verwijderde ik allereerst de afdekkapjes van de wielmoeren. Toen werd me duidelijk dat ik de afgelopen weken een engeltje op mijn schouders moet hebben gehad. Beide wielmoeren zaten los! Dat had wel eens nare gevolgen kunnen hebben. Als de duvel draaide ik de beide dingen weer vast met een handig stukkie multitool van Zuslief, terwijl de engeltjes lieflijk vanaf mijn schouder toekeken naar mijn technische ingrepen. Duizendmaal dank gevleugelde schoonheden! Opgewarmd en mijn suikerbuik gevuld met heerlijke speculaas ving ik de huisreis weer aan. Terug tegen de wind in. Ik geef de voorkeur aan wind tegen op het heen gedeelte. Nu had ik krachtje vijf tegen en ook nog eens venijnig koud. Zeker de eerste kilometers. Maar goed, fietsen is mijn medicijn zeg ik dikwijls, dus aan ‘t infuus met die handel. Trappen Jampie! ‘t geeft me om deze tijd van het altijd warme gevoelens van binnen trouwens, donkere luchten die laag over de weilanden hangen en de wetenschap van korte dagen, met mijzelf als eenzame passant daar tussen licht en donker fietsend. Niet gehinderd door storende dingen van buitenaf herbeleef ik de warmte van dierbaren en denk daaraan. Ook de gedachte dat er “meer” is tussen hemel en aarde (cliché, ik weet het). Uit welk hokje kwamen de naar mij toegezonden engeltjes? Het maakt me even niet uit, ze zijn er. D’r komt een mooie naam voor de nieuwe fietse in mijn kop. Vannacht, warm onder de dekentjes, hoorde ik de wind  door mijn kop gaan. Ik zag iemand zwoegen, struikelen en weer opstaan, ‘k riep een dankgebedje aan. U allen een gezond en goed weekend. Tot gauw!

©J.G. Boomsma

I.M.

By | Alle daagjes | No Comments

Iemand niet meer kunnen spreken, horen lachen. Gesprekken die verleden zijn. De lach verstorven.Stille tranen. Hoe waardevol de herinneringen. Dag lief mens…

Ik zag je gaan, ´k zag je schrijden

de zon, de sterren en de maan

schijnen licht over ´t stille lijden

leg je hoofd te ruste, laat pijn vergaan

vrij van smart en alle zorgen

treed binnen in velden vol van pracht

voel de warmte van de nieuwe morgen

overwonnen zijn de schreden in de nacht

Rust zacht…

 

Jampie,25 november2015

 

©J.G. Boomsma

Sterallures

By | Alle daagjes | No Comments

Was het een vallende ster..? een satelliet..? vier ruimtevaarders, duizelig van rondje aarde nummer zoveel in hun tin can? ‘k wist het niet. Niet dat mijn slaapmuts begon te knellen hoor, maar krabde me toch even achter mijn oren vanochtend rond zevenen bij het zien van een lichtspoor hoog boven in de lucht. Zal er buitenaards leven bestaan? Wis- en Natuurkunde werd ik vanwege mijn matige kennis daaromtrent van uitgesloten, dus sterrenkunde lag ook niet in ‘t verschiet. Maar ik durf mijn eigen vraag wel met JA te beantwoorden. Niet uit angst hoor, maar het is meer uit schaamte dat ik een ontmoeting met onze ruimteburen verderop niet hoop mee te maken. Zij hebben heus wel gezien wat voor een gezellige boel we van onze aardkloot gemaakt hebben. De gezelligheid in hun ruimteblik zal ver te zoeken zijn wanneer ik hen zo van onze gewoontes moet verhalen. Onder het genot van een milkway shake mag ik hen uitleggen van het hoe en waarom van onze favoriete Aardse spelletjes. Landjepik, oerwoudje kap, zeetje bederf, ezeltje prik en olifantje ruimen (een ultieme spelvariant op het laatste). Van de nare dingen die we elkaar aandoen. Elkaar het licht in de ogen soms niet gunnen. Over mensen die elkaar na het lezen van een boekie hard op de kruin slaan, want dat staat er in. Spelletjes voor onze snottebelletjes kopen, hoe dit spelenderwijs het best uitgevoerd kan worden. Nee, ondanks mijn intelligentie zal me,  na het laten van een ruimteboer (tis een luchtig goedje die milkway shake), vriendelijk worden verzocht hun vliegmachine te verlaten. Omdat ik een harmonieus iemand ben en sterallures mij vreemd zijn zou ik de ontmoeting niet willen bederven. ‘k zou hen nog waarschuwen uit te kijken voor ruimteafval. Een deuk in dat stuk techniek is zo gemaakt en probeer dat maar es met een Sterpolis te verhalen. Best jammer toch. Foto’s genomen vanuit de space shuttle, laten een prachtig gekleurd bolletje zien. Nietig en zo kwetsbaar. Dat laatste bezorgt me toch wel enige angst. Angst en bezorgdheid dat aan al dat moois een einde gemaakt wordt door ons als passanten. Dat zou toch jammer zijn. We zijn niet met teveel. Onzin. We eten niet meer om te voeden, maar om het gezellig samen zijn. Zodanig zelfs, dat ik zelfbenoemde leiders er van verdenk, zich buik krampies te eten aan space keek en andere verruimende middelen. Niet meer doen nou jongens. Stoppen kan nog wel hoor. Ik stap op mien ruumte fietse en draai nog een rondje. Kieken als ‘k een filmster wordt.

©J.G. Boomsma

‘k geloof het wel

By | Alle daagjes | No Comments

Op de schoorsteenmantel, boven het kunstmatig haardvuurtje staat een hartvormig spekstenen urntje. Daarnaast op het donkereiken plankje de foto van Daisy.  Heel toepasselijk, omdat ze net als mij van vlinders genoot, heb ik op de rechterbovenhoek van het donkergekleurde lijstje een veelkleurige vlinder geplaatst. Iedere avond wakkert er een klein vlammetje van een waxinelichtje onder. Het geeft geen pas u hier te verhalen over zaken waarin ik geloof, of niet in geloof. Of over dingen waarvan ik moeite heb die te geloven. Daar denk ik nog wel es over. Geloven is iets persoonlijks, ja toch? Zij die zeggen dat dat niet zo is geloof ik niet. Das  ook persoonlijk. Een paar weken terug, ik zat op mijn eigen plekkie naar de muziek te luisteren, geloofde ik mijn ogen wel, maar ik sloot de kijkers toch even. Toen ik ze opnieuw opende moest toch de buusdoek weer uit de buus gefrommeld worden. Achter de foto op het behang leek zich een betovering te hebben voorgedaan. Het licht van het kaarsje had de schaduwvormen van de vlinder getransformeerd in die van een piepklein konijnenkoppie. Oren, hals en bekkie, ‘t werd voor mij geprojecteerd. Te diep in het glas gekeken Jampie.. of anderszins de geest verruimd?  Nee. Maar ‘t was wonderlijk mooi. Zo mooi dat ik, om het verschijnsel niet te verstoren, voorzichtig opstond en zacht mijn hand over het behang liet gaan. De woordjes die ik naar Daisy fluisterde waren tussen haar en mij. Tijdens urenlange wandelingen op de Drentse hei speelde ze haar spel met de snelle knagers. Onuitputtelijke doorzetster als ze was, heb ik haar eens uit moeten graven uit het zandhol der langoren. Ze zat klemvast tot over haar schouders. ‘s avonds thuis leek ze bevangen door een overdosis van het zandmannetje. Niet wakker te krijgen. Nu kan ik niet wachten tot de schemering invalt om te gaan toveren met het licht. Het heeft zo mogen zijn en daar geloof ik in. Schaduwen van het verleden, laten verlichten door het heden. Das toch ongelooflijk mooi…?

©J.G. Boomsma

Taptoe

By | Alle daagjes | No Comments

Als voorzitter van de vergadering had ik weer eens een slechte beurt gemaakt. De ruimte was niet berekend op het aantal mensen en er zat een groot aantal ongenodigden. De notulen ontbraken en ik had geen agenda. Geroezemoes, schuivende stoelen, vragende blikken, dhr. van Boeien die zich zo nodig in zijn plakkie cake moest verslikken (wees toch niet zo gulzig).´t was weer wat moois. Herkent u het ?.. ik wel. Om zes uur vanochtend ging het licht uit en kon ik de plaaggeesten achter me laten. Wanneer komt het moment, vraag ik me af, dat ik dit tropenrooster niet meer hoef te draaien, mag ik rust in mijn kop. Hoeft het niet meer op het overvolle zaaltje als hierboven te lijken? Zij die me na aan het hart liggen sporen me aan. Maar niemand meer dan ik zelf schreeuw bijna dagelijks “doorgaan.. doorgaan”. Ben bang mezelf over de kling te jagen. Geestelijk. Ben dankbaar, moet dankbaar zijn voor mijn fysieke krachten. Soms steekt er een gevoel van schaamte op. Er zijn zoveel mensen die lichamelijk niet meer kunnen, ziek zijn, pijn hebben. En kijk mij nou eens zitten. Hollands glorie, niets aan te zien. Misschien is het juist dat wel, het voortdurend relativeren wat me overeind houdt. Ben ook zuinig op mijn lichaam. Tandjes (imitatie maar best duur) poetsen en twee maal per dag badderen. Gezond eten ook, hoewel dat mij noopt binnenkort mijn weegschaal eens in onderdelen uiteen te nemen. Het lijkt of de wijzer moeite heeft vooruit te bewegen. Smeren met wonderolie wellicht. Een ander wondermiddel, maar dan voor de gedachtenwijzer daarboven was alcohol. Daar kwam ik al vroeg in mijn leven mee in aanraking. Vanaf mijn veertiende. Dat kwam mooi uit, want ongeveer vanaf dezelfde leeftijd kwam het bewustzijn van mijn ‘anders’ zijn binnendruppelen. Begon het lange denken. Alcohol was voor mij een medicijn. Toepassing: in ruime hoeveelheden in nemen, gorgelen mag. Bijwerkingen: gevoel van doofheid, trillerigheid en opgeblazen gevoel, dubbele tong. Pas op met autorijden. Ik heb het middel tot zes jaar terug dagelijks gebruikt. Waar nu de emballage staat, had  een luxe limousine kunnen staan. De eigen bijdrage was nogal hoog. Maar ‘t gaf rust. Een medicijnenstudie heb ik niet gevolgd, ik was gedwongen mijn eigen medicijnman te zijn. “dag dokter”. “ha die Jampie, wat scheelt er vandaag eens aan”. “nou dokter ik ben anders”. “ach, das wat anders, volgende patiënt graag!”…………. Veertig jaar verder. Ik kreeg pijntjes. Milt en leverworst (hm lekker). Maar ook lichamelijk moe en futloos. Was dat zo dat zo mooi heet een ‘wake up call’ ? Nee, ik heb een overlevingsinstinct, wat naar mijn overtuiging uniek is. Van de een op de andere dag ben ik gestopt met alcohol. Geen anonieme alcohollisten of meer bekende pech onder weg instanties. Ik was gestrand maar alles deed het nog om andere wegen in te slaan. Wonderlijk is de reactie van de buitenwereld overigens. Heb ik jaren luchtigjes de oordelen weg gewuifd dat ik alcoholist was, nu ontkent de massa dat dat het geval was, want “dat is niet mogelijk Jan, dat je dat zonder hulp hebt kunnen doen”. Nou dikke vinger en drie bier en doe maar een sappie, stelletje steunkousen! proost! Mijn rustgevende blonde rakkers zijn vertrokken, al jaren. Tis stil in de koelruimte, geen muzikaal gerinkel meer van hen die mij die rust gaven. Er op uit trekken, beestjes kijken en weglopen van zo dat zo mooi heet ‘impulsen van buiten af ‘. Op mien fietse de drukte in mijn kop wegtrappen helpt. Als ik nu Nico en Tine nog het spoor bijster kan laten worden. Dat zou prachtig zijn. Tis een giftig stelletje die twee. Ik moet hen in rook op laten gaan. Heb een afspraak met mezelf gemaakt. Zodra ik de nieuwe fietse heb, mijn reisgenoot voor komend jaar, dan wijs ik hen de deur. Wil niet nog meer schade aanrichten dan het ‘onheil van buitenaf ‘ als peuter bij mij heeft aangericht. Ben ik depressief ? nee, moe van denken, van de drukte in m’n kop, van soms nachten aaneen wakker zijn, zoals afgelopen nacht weer. Op twee oren liggen (das een voordeel van grote oren) zonder alle vergaarde gedachten, waar ik geen agenda van heb.

©J.G. Boomsma

Gone with the wind 2.0

By | Alle daagjes | No Comments

Soms, zoals gisteravond denk ik nog wel eens terug aan Carmen. We hadden een kortstondige maar desondanks turbulente relatie samen. Vaak was ze lucht voor me, wanneer ze uit de kast kwam met nietszeggende opmerkingen. Die sloeg ik in de wind. Tis al weer zo lang geleden denk ik. Ze klaagde de laatste tijd over flatutatie. Een vervelende vorm van winderigheid. Een week voor haar vertrek had ik haar nog begripvol verzorgd. Een klein wondje beplakt met Hansaplast. Wat een ellende. Maar ze wilde niet langer bij me zijn. Toch kwam haar vertrek als een volslagen verrassing bij me binnen. In een zo herkenbare stilte keek ik haar liefdevol aan, zo ze daar lag op de divan. Het ging allemaal zo snel, onwerkelijk ook. Als een leeglopende ballon leek Carmen te worden opgetild en werd ze meegenomen (Gone with the wind). Ik zie me zelf nog staan. Als in een scene uit een slechte B-film. Zoiets als uit de beroemde scene van de Titanic zak maar zeggen, maar dan anders. Ze was me ontglipt en vloog als afscheid nog een majestueus rondje boven mijn huis, mij achterlatend in een geur van verbrand rubber. Romanticus als ik ben dacht ik aan het nummer “vliegen als een vogel” van Peter Schaap. Had ik het raam moeten sluiten voor haar?… das achteraf. Aan de financiën dacht ik maar niet. Carmen was van rubber maar we hadden een speciale band met elkaar. Vooral in koude wintermaanden als deze. We hadden een winterband zeg ik nu heel oneerbiedig.  

Excuus lieve lezers. Door een technische storing is bovenstaande afgedrukt. Het internetverkeer en televisie lag ‘er uit’ gisteravond. de hierboven beschreven passage was bedoeld voor een van mijn romans die ik aan het schrijven ben (ik ben een druk bezet iemand). Geheel per abuis dus, nogmaals sorry… Door die storing is het natuurlijk goed mogelijk dat er een plotselinge piek in het aantal pasgeborenen zal ontstaan over pak em beet negen maanden. Ik zal daar geen aandeel in hebben. Nee hoor, ik had een aantal schitterende muzikale werkjes uitgestald op tafel en heb me prima vermaakt. Geurkaarsjes, de verlichting gedempt en het beeld op zwart…wat een romantiek zo heel alleen. Dag Carmen.

©J.G. Boomsma

Gooi wat in ‘t schoentje

By | Alle daagjes | No Comments

Wegens valsheid in geschrifte, oplichting en spelbederf ben ik niet langer welkom in de plaatselijke buurtsuper… Zo dat is er uit en lucht op. Eerlijkheid duurt het langst, dus biecht ik het ook maar aan u op. Met schaamrood op mijn kaken en in het kort voel ik me verplicht u de toedracht te vertellen.

Mijn oog was gevallen op een stapel bouwplaten, uitgestald op een metershoog schoenenrek. Door middel van wiskundig uitziende stippellijntjes zou hier een soort schoen van zijn te maken, volgens het wedstrijd comité. Achterop stonden de benodigdheden en gereedschappen afgedrukt; Mes, schaar, veiligheidsbril en industrielijm. De twijfel omtrent mijn ruimtelijk inzicht had mij toen al moeten doen besluiten van deelname af te zien. Maar ja, een prestigieus project als dit wilde ik met open vizier aangaan. Onder oogverblindend neonlicht stond een prototype uitgestald. Dat al die kleine snottebelletjes van tegenwoordig het vak techniek weer omarmen doet me deugd. Vriendelijke glimlachend maar resoluut werkte ik me naar voren, om een glimp van het prototype op me in te kunnen laten werken. Ik pakte het meteen serieus op zak maar zeggen. Buiten het oog van de camera (want ik wilde mijn deelname geheim houden) griste ik de bouwtekening van het schap en maakte dat ik thuis kwam. Daar zonk me de moed wel danig in de schoen. In kleine lettertjes, die ik zelden lees, stond dan wel twaalf jaar, maar daar sloeg ik geen acht op. Nee, ‘t was meer het formaat van het eindproduct wat me zorgen baarde dan de productietijd van voornoemd getal. Afgaande op oude liedjes zou er na fabricage het volgende in moeten passen: Een pop met vlechten-snoezig jurkje-twee tennisballen-letter van banket(hm!)-bromtol en zweepje(?!)-doos blokken. Buiten dat hiermee het bewijs is geleverd dat kinderen ook destijds reeds op grote voet leefden, zou ik nooit voldoende karton in huis hebben. Onbeheersbaar als ik  ben liet ik me niet uit het veld slaan en een uur later was ik terug bij de warme haard met twee vierkante meter bouwmateriaal. Hierdoor liet ik me impulsief van de wijs brengen, door af te wijken van de schaalverdeling. “even doorgaan Jampie” dacht ik. Na twee avonden noeste nachtelijke arbeid, dodelijk vermoeid, was er een laars ontstaan, die het me gezien het formaat, moeilijk maakte ongezien over de galerij te schuiven. Gebruik makend van de duisternis bereikte ik de winkel. Anderen hadden zielig aandoende mini-schoentjes geknutseld, maar niet ieder heeft de creativiteit die ik nu eenmaal in me heb. dat geeft ook niet hoor. Voldaan bekeek ik het stuk huisvlijt en voorzag het in sierlijke Sint letters van mijn naam. Die zou nu eindelijk eens gevestigd zijn. Gerechtigheid komt, wacht er niet op. In gedachten zag ik foto’s in dagbladen en andere media voorbijkomen. Jampie op ‘t journaal, bij de burgemeester… chocoladejampie’s en als beloning een op ware grote gegoten chocoladelaars.

Nu zit ik in zak en as thuis. De bedrijfsleider verklaard mij persona non grata, mijn goede naam te grabbel, torenhoge gemaakte kosten en geen chocolade kikkers en muizen. Oh… daar wordt op de deur geklopt, wie zal dat nu weer zijn.

©J.G. Boomsma

One man band

By | Alle daagjes | No Comments

Voor mij op tafel staan drie bruine aardewerken kruiken, als relikwieën  uit een mooi verleden. Op een daarvan prijkt pontificaal een plastic kerstmannetje. Klein, nep, niet overheersend, maar voor mij zo aanwezig. ‘t zorgt voor weemoedigheid. Is aangeraakt door handen die teruggetrokken zijn. Op de voorgrond staat een ontbijtbordje wat ik in een artistieke bevlieging in brons heb gespoten. Heb er zorgvuldig vier appels op gedrapeerd. Tussen twee machtig mooie muzikale meesterwerkjes door gecreëerd. Toen het plaatje gereed was onderwierp ik het aan een kritische blik en zij tegen mezelf “stil even”. De muziek, afgespeeld tijdens de ‘making of’, vult opnieuw de kamer. Mien buusdoek op schoot, want het ontroerd zo. Zouden mijn handen kunnen maken wat zich in mijn kop afspeelt aan alle gedachten, het Panorama Mesdag zou verbleken tot een prentje van postzegelformaat. Maar ik kan dat niet. Anderen kunnen dat. De een met verf, weer anderen toveren met de camera, zoals ook Zuslief dat kan. Het oog van de mens, kan toveren met de lens, zak maar zeggen. Wanneer ik al dat moois zie lijkt het of mijn ogen in de compositie zijn verstopt, voor niemand zichtbaar. Geregisseerd en gecomponeerd voor mij. Ik kijk in mijn platenkoffer, ruik aan de hoezen en geniet. Sommige hoezen zijn ware meesterwerken. Jammer dat ik de klanken op het gegroefde vinyl niet meer tot leven kan wekken. Elke hoes, iedere plaat heeft een verhaal. Tony Joe White, Jeff Beck Group, BB King… allemaal mooi. Soms verwen ik mezelf met iets instrumentaals zoals nu. The Donauraum-Philharmoniker zweeft om me heen, werkjes van Strauss. ‘t gaat over de Donau ook. De piccolo (de kolibrie der fluiten) laat het water langs groene oevers kabbelen, zie de zon als het ware schitteren. Dan, heel langzaam, gooit de rest van de orkestbak alle remmen los. Bezorgd kijk ik of de paukentrommelaar mijn boxen niet beschadigd. Onder begeleiding van strijkers en blazers zwelt de rivier aan tot een woest golvende stroom. Zal ik mijn zwemvest aantrekken? Flauwe kul natuurlijk. wordt er weer opgeruimder van, dat wel. Muziek is universeel zegt men en ik ben het er roerend mee eens. Als elfjarig jong mens zat ik met de piston een hymne te blazen op mijn slaapkamertje. Abide with Me. Kerkelijk. Buren enige deuren verwijderd van dat muzikale fraais, deden een complimenteuze duit in het zakje. Lieve mensen, niet kerkelijk. Tekst geeft invulling, is persoonlijk. Klanken klinken zuiver, geven een eigen lading. De schotse doedelzakspeler, te midden van dood en verderf op de stranden van Normandië, gaf moed, wellicht berusting. De stervende man die na een lang leven nog een keer zijn lievelingsmuziek wilde horen, voor hij ging hemelen. Tis zo persoonlijk. Muziek geeft hoop, geeft uiting aan liefde, brengt rust, roept herinneringen op. Inspireert. ‘t vult mijn eenzaamheid op, verdrijft het soms of geeft uiting aan. Maak het beeldend voor mezelf. Ben ik zelf muzikaal? Niet in praktiserende zin, ‘k rommel wat op mijn mondharmonica en speelde vroeger Piston, Bugel en Trompet, maar werd gelukkig niet ontdekt. Laat me maar lekker, dacht ik toen al. Maar zou dolgraag zo veel mogelijk instrumenten willen bespelen. Dirigent zijn van mijn eigen orkest. Geen valse noten. Een partijtje mee blazen in de symfonie van ‘t leven. Met vochtige ogen kijk ik naar het stilleven voor me…tis mooi.

©J.G. Boomsma