Monthly Archives: augustus 2016

toontje lager

By | Alle daagjes | No Comments

Eigenlijk zou ik wel op blote knieën te rade willen gaan bij medefietsers. Om onder de knie te krijgen, te bewerkstelligen, dat ik wat minder vaak door de knieën ga bij het gedrag van medeweggebruikers. Of hoe ik daar zelf op kan anticiperen. Wat voorzichtiger te zijn, zak maar zeggen. Opnieuw zit ik beteuterd naar de geschaafde Articulus genus, de knibbel, mijn knie te kijken. Het bijna wekelijkse rondje Assen – Bedum en weerom verliep als altijd perfect. Zon, wat lichte bewolking en een aangename 25 graden. Nee, het zwaartepunt van de mooie dag lag in de avond. Vermoeid in de geplaagde kop en bijna thuis, stonden in het smalle straatje op mijn route drie slordig neer gekwakte auto’s. Diep van binnen uit de blikken omhulsels klonk geluid waar de eigenaars van al dat moois muziek van trachtten te maken. Gezien de temperatuur had ik mijn oorwarmers thuis gelaten, wat mij noopte met een flitsende beweging het zaakje te omzeilen. Op het laatste moment moest ik echter vol in de remmen om niet over het dak van een racende tegenligger te zweven. Mijn reflexen en mijn reactiesnelheid zijn nog steeds goed. Maar weer was het de voorrem die mij alsnog een fraai uitgevoerde zweefduik liet maken door het plots tot stilstand komende voorwiel. Buiten dat mijn ego door alle slippers van de laatste tijd de vorm van een skippybal heeft aangenomen, ben ik er lichamelijk toch weer wonderwel goed van afgekomen. Doe toch eens voorzichtig jonge hoor ik mamme nog vaak zeggen. Maar voorzichtig ben ik wel. Steek mijn hand uit, kijk soms overdreven van links naar rechts, ontsteek mijn lampies, klingel vrolijk met de bel en weet soms slippend tot stilstand te komen. Nee, dat zit wel goed. ‘t heeft meer te maken met de beslissingen die ik soms in een split second moet maken. Dat gaat niet altijd in de juiste volgorde. Maar het fietsen blijft mooi! Fijne dag allen.

© J.G.Boomsma

zomer in stad

By | Alle daagjes | No Comments
Jampie in Noorderplantsoen

Jampie in Noorderplantsoen

Gisteren weer even mijn vrijdagsritje naar ´t Groningerland gemaakt. Op weg er naar toe een gemiddelde van 26.2 kilometer per uur, terug naar ´t land van Bartje lag de snelheid ietsje lager. Het Noorderplantsoen was omgebouwd tot festivalterrein in verband met Noorderslag. Daar waar de stadsduiven en ik altijd dikke mik hebben, stonden nu tenten. Standjes en allerlei kleine podia opgesteld. Dat moet een gezellige boel zijn, zo ‘s avonds dacht ik. En ik kon mijn voordeel er uit halen. In plaats van mijn gebruikelijke bankje kon ik mooi aanschuiven aan een lange picknicktafel. Bovenop de zeven slagroomsoezen en de halve liter koffie die ik bij zuslief naar binnen had gestouwd kon ik zodoende lekker in mijn uppie genieten van de door mij meegebrachte, iets gezondere brandstoffen. ‘t was weer een mooie dag geweest.

© J.G.Boomsma

Kiekeboe

By | Alle daagjes | No Comments

” ik doe het je nog een keer voor “. Bij die als een ultimatum binnenkomende woorden, zonk de moed mij vaak al in de gymschoenen, wanneer de gymnastiekmeester zijn vrije kuur voor mijn verbijsterde gezicht ten uitvoer bracht. Het gerinkel van ringen aan kettingen leidde mij van de kuur af, deed mij zorgelijk omhoog kijken of het plafond van het gymzaaltje niet naar beneden zou komen. Achter een gordijn in de gymzaal, annex filmzaal, stonden het paard, de bok en een heuse springplank uitgestald. Waarvan de laatste niet de verende werking had, door het geringe eigengewicht van mijn gestalte. Hierdoor werd ik al vroeg in mijn nog jonge en onbedorven jaren over het paard getild. Maar daar kon ‘k niks aan doen. In mijn ontluikende adolescentie vond ik de klasgenotes in turnpakjes en de onderbroekenlol in de kleedkamers wel weer mooi. Ach, jeugdige onschuld. Nu, vijftig jaar later lees ik – en daar kan ik niet omheen – dat er een in zweem van overwinning verkerende landgenoot uit zijn kamer wordt gezet. Schuldig verklaard omdat hij zichzelf in een roesje had gebracht. Kiekeboe had gedaan bij terugkomst bij braaf dromende andere landgenoten. In blazers gehulde, nette meneren aan de hotelbar had omzeild die de discipline ‘synchroon glazen heffen ‘ met verve beoefenden. Diende het gelukzalige roesje om hem even te bevrijden van de Olympische ringen die als een omklemming voelden? Of waren het zijn eigen ultieme prestaties die hem in een keurslijf hadden geperst? Schuld en onschuld, naar binnen kunnen kijken en zo dat zo mooi heet ‘een oorzakelijk ‘ verband kunnen ( en willen ) leggen. Das ook een discipline. Dan wordt meedoen belangrijker dan het verwachtingspatroon van anderen te bevredigen. Tis onschuldig dat eens iets vaker te proberen. Geluk Yuri!

© J.G.Boomsma

tussenstops

By | Alle daagjes | No Comments

Op één van de vele aanlegplaatsen van de grote riviercruisers, in de buurt van Boppard, was er even geen doorkomen aan. Een prachtschip, met de wapperende driekleur van Hollands glorie fier achterop, lag onder stoom. De passagiers stonden in groepjes aan wal opgesteld en waren geanimeerd met elkaar in gesprek. Vrolijk klingelend met mijn fietsbel laveerde ik, mijn evenwicht knap bewarend, tussen het gezelschap door en parkeerde ik Boontje op een stil plekkie buiten het gedrang. Hier kon ik in alle rust mijn ogen even een culinaire rondreis door de proviandtassen laten maken om te zien welk lekkers Jampie er ‘s ochtends in had gepropt. Uit alle macht probeerde ik een broodje met schinken terug in de tas te duwen, wat uit zich zelf de tas uit trachtte te kruipen. ‘t was ook wel erg warm daarbinnen. Het Duitse broodje wat verwoede pogingen deed mijn dure kunstgebit in meerdere delen te breken, liet ik me evenwel goed smaken, tot ik werd opgeschrikt door een luid geclaxoneer. Ramptoerisme en de bijkomende reuring daaromheen hoeft voor mij niet zo, maar ik besloot toch maar even poolshoogte te nemen (wie weet was er een landgenoot in nood en Piet Hein deed zijn grootse daden ook niet voor zijn plezier tenslotte). Om het struikje waarachter ik zat heen, zag ik dat de kapitein met een in smoezelig ogende overall gestoken en opgewonden meneer in gesprek was verwikkeld. Hulp van mij, in welke vorm dan ook, bleek niet meer nodig toen ik bemerkte dat de wandelende smeervlek in zijn auto stapte. De kapitein die bewonderenswaardig rustig was gebleven met een vage glimlach achterlatend. In het praatje wat ik met de goede man voerde werd duidelijk dat de passagiers stonden te wachten op een rondrit met een treintje.. Nergens een spoor van de Deutsche Bundesbahn ontwarend, vroeg ik me schaapachtig nakauwend op mijn broodje af hoe dit logistiek in korte tijd te verwezenlijken zou zijn. Maar liet het maar zo. Met een gepelde banaan in mijn hand hoorde ik even later een zware dieselmotor tussen de heuvels doorkomen. Opnieuw zag ik de smeervlek die dag, al had hij zich nu getransformeerd tot machinist, in een uniform van de plaatselijke fanfare, althans daar leek het op. Op het weggetje naast de rivier parkeerde hij op aanwijzing van zijn (naar het leek) broer een rood/geel treintje met zeven wagons. Het ding stond op vrachtwagenwielen. Hoewel techniek en ik twee met elkaar botsende dingen zijn, was ik toch wel geïnteresseerd en zag nieuwsgierig kijkend door de grille dat er een dijk van een motor in het met verchroomde bellen versierde apparaat was gegoten. Dat was interessant, dacht ik. Met militaire precisie werden de met smart wachtende, vakantievierende landgenoten op hun plaatsen gewezen. Een misthoorn gaf aan dat de rondrit kon beginnen. Aan de gezichtsuitdrukking van enkele passagiers kon ik me niet aan de indruk onttrekken dat er enige twijfel diep in hun binnenste was. Toen de trein zich eindelijk in beweging zette, zag ik met afschuw en medelijden hoe de voorste passagiers werden bedolven onder een wolk zware dieselwalm (ik wilde vroeger ook altijd graag voorin zitten en vond dieselrook lekker ruiken). De rest van de inzittenden leek zich in een achtbaan te wanen en hielden zich aan elkaar en alles wat los en vast zat, krampachtig vast. Vijf minuten later, toen de wolken enigszins waren opgetrokken, vertelde de kapitein me dat er op veel aanlegplaatsen voor wat vertier wordt gezorgd. Tis tenslotte All-in. Dit jolijt vind echter plaats binnen een strak tijdschema en vertelde hij, bij bijna al zijn tussenstops ter plaatse is het treintje steevast te laat. Dat was dus de commotie vooraf. Met hem en enige opvarenden heb ik nog even gezellig staan kleppen. Het gehele gezelschap zou later die dag met het schip Rudesheim aandoen. Dat was de plaats die tevens als eindpunt van mijn dag etappe zou dienen. Gezien de snelheid van  zo’n vijftien kilometer per uur van het drijvende hotel zouden Boontje en ik daar vast eerder aan komen. De diepe bas van een naderende misthoorn deed mij besluiten weer op te stappen. De beker koffie die ik van een der opvarenden had gekregen zorgde voor weer nieuwe energie.

© J.G.Boomsma

Vliegende Volckert

By | Alle daagjes | No Comments

Ze liggen er nog. Keurig gestapeld in een kast. Boeken, dik en dun. Omdat de kasten hoger geworden zijn en ik iets kleiner, verhuist er nog wel eens een stoel uit de woonkamer naar het hoge meubelstuk. Vanuit die positie gun ik mij op momenten de mogelijkheid de kleine deurtjes te openen en met geveinsde nieuwsgierigheid de getitelde kaften in mij op te nemen. Vooral de titels uit mijn jeugd. De kinderbijbel, Kleine zwerver, Pietje Puk, Okkie Trooy. Afhankelijk van mijn actuele stemming van dat moment gaat mijn hand nog wel eens dieper in de kast, krijg ik aandrang te bladeren in het geheugen. Eerst naar de illustratie op de omslag kijken, om mij te kunnen verplaatsen of terugbrengen naar het jaartal. Dan een willekeurige bladzijde openslaan en het boek naar mijn neus brengen. Dat ruikt lekker vind ik. Zoeken naar ezelsoren en kijken naar het destijds laatst gelezen woord. Was ik moe? was het bedtijd? Sommige bladzijden zijn bevlekt. Een slordige theevlek, misschien een traantje? ‘k weet het niet meer. Klein geluk en klein verdriet, zak maar zeggen. In sommige staat, voorin met sierlijke door mamme geschreven letters, het jaartal of aanleiding. Diakonessenziekenhuis of “t Ruige Veld”. Ben er zuunig op. Het mooie vind ik, dat herinneringen van welke aard dan ook, door vadertje tijd van geheel persoonlijke nuances zijn overgoten. Anders herbeleefd worden. Das toch heel mooi. Aan één van die vele boeken moest ik denken op die ochtend, fietsend langs de Rijn. Ergens in de buurt van Koblenz werd het fietspad versperd door een klein groepje mensen die stonden te wachten voor het pontje, wat hen over zou brengen naar de andere oever. De pontjesbaas (want zo zag hij er uit) maande mij tot wat voorzichtigheid. Van de gelegenheid gebruik makend lastte ik een stop in. Mijn aandacht werd getrokken door een pracht van een motorfiets. Zwart, totaal zwart en glimmend. Een Japans racemonster. Alleen de verchroomde uitlaatpijpen en een subtiel rood lijntje op de door breed rubber geschoeide velgen onderbraken het geheel. Met gebolde wangen van het gekookte ei, wat ik net in mijn broodtrommel had laten glijden, keek ik vol ontzag naar al dat moois. Echter nog meer dan de machine werd mijn aandacht getrokken door de berijder. Volledig in het zwart zat hij daar wijdbeens op het monster, waar de hitte vanaf leek te slaan. Schoorvoetend, maar in de ban van snelheid maakte ik enige passen in zijn richting. Op het moment dat hij zijn vizier opende, gleed als vanzelf het ei mijn keelholte in. Ik zag niets… Als in een flits dwaalden mijn gedachten vijftig jaar terug in de tijd. Vlogen flarden van één van mijn jeugdboeken door mijn kop. “Snuf de hond en de jacht op vliegende Volckert”, geschreven door Piet Prins. Het verhaalde van mijn vriend Tom en zijn schrandere herdershond Snuf, die jacht maakten op een naar het leek geest uit een ver verleden. Zwarte rijlaarzen, een zwarte cape en een dito hoed, echter zonder gezicht. De reden dat ik een fractie niets zag van de trotse bezitter van het ros was dat de jongeman donker gekleurd was en ik daardoor in een lege helm zat te staren. Dit alles duurde maar enkele seconden. Misschien was het mijn beteuterde blik die de berijder aanmoedigde tot een welgemeende glimlach. Gerust gesteld daardoor, knoopte ik een gesprekje met de jongen aan en liet hij mij goedkeurend klopjes en aaitjes geven aan zijn trotse bezit. De pontjesbaas die inmiddels ook aan de gezamenlijke kennismaking deelnam zei quasi smalend dat mijn fiets toch wat meer moeite zou hebben vooruit te komen dan de schitterende motorfiets. Wat ik pareerde door de motorrijder te vragen even van vervoermiddel te wisselen. Wat hij overigens beslist maar schaterlachend afwees. Geklots van water deed mij omkijken en beseffen dat het pontje bijna gereed zou zijn één van de vele naamlozen, ontmoet op mijn fietstocht, op te slokken. Als kenden wij elkaar al jaren gaven we elkaar een gemoedelijke schouderklop. Maanden elkaar naar voorzichtigheid en wensten gelukwensen uit. Zelf wenste ik degene te zijn die het afscheid bespoedigde, besprong met een fraaie beweging Boontje en koos opnieuw mijn versnelling. Reeds op enige afstand deed een diepe roffel mij nog eenmaal omkijken. We zwaaiden nog eens en trokken beide verder. “Vliegende Volckert” dacht ik nogmaals..

© J.G.Boomsma

Verder trekken

By | Alle daagjes | No Comments

Slaaptenten, trekkerstenten, feesttenten, rare tenten, leuke tenten, ze zijn er in alle soorten en maten. Ook voor de minder geduldige en onhandige, moderne nomaden, tot welke doelgroep ik behoor. Zoals de Pop-up tent. Geen zware foedraal met tientallen in lengte variërende stokken waar men zich een vakantieblessure aan tilt. Nee, in plaats daarvan een grammen wegend stukje kunststof. Verlekkerd, doch met een gereserveerde glimlach (ik ben wel vaker voor het lapje gehouden)las ik het succesverhaal van de  op reis zijnde fietser, afgebeeld op de verpakking. Dodelijk vermoeid komt de arme fietser aan, om tot de ontdekking te komen dat er nog een nomadenvolk is neergestreken op hetzelfde kamp. Maar, las ik verder, geen nood. In één zwierige beweging die het cijfer acht uitbeeld, werpt hij het textiel met wat geluk tussen twee tenten (model Boltini). En zie daar. De tent ontvouwt zich tot een uitnodigend koepeltje, waarin – en das weer op het zelfde plaatje – de potten en pannen reeds gereed staan en waartussen een in badpak geklede dame geheimzinnig glimlachend in verzeild lijkt te zijn geraakt. Erg mooi uitgebeeld allemaal, maar eenmaal thuis dacht ik aan de clou van de goocheltruc. Ergens klopte er op het plaatje iets niet. Dus hoe aanlokkelijk ook, besloot ik de auditie voor het programma “mijn tent is top!” te laten schieten en me niet uit mijn tent te laten lokken door een wervend plaatje op de doos. Nee, voor mijn fietsreis had ik vooraf reeds besloten gebruik te maken van Pensions, Bed en Brood, Zimmer Frei en betaalbare hotelletjes. Buiten het lekker badderen aan het eind van de dag had dit nog een groot voordeel. Zodoende kon ik ‘s ochtends aan de gereed staande ontbijttafel de door mij meegenomen afsluitbare plastic zakjes vullen met eieren, bananen, yoghurtjes, Snelle Jelles en uiteraard brood en beleg. Wat een feest was het, wanneer ik dan in de loop van de ochtend mijn eerste stop maakte en de linker fietstas opende. Reeds bij het losmaken van de twee gespen was het een feest voor mijn neus wanneer de salami- en schinkengeuren me tegemoet kwamen. Nagenietend van al dat lekkers zat ik op een van de warmste dagen van mijn reis te turen naar mijn te rijden route toen er een ouder dan mij uitziende eenzame fietser naderde. Bij het ontwaren van mij hield hij iets in, wat wel komisch leek omdat de man bijna omviel doordat hij gezien zijn tempo al weinig haast leek te hebben. Gezien zijn vloeiend Duits en het ontbreken van bagage aan zijn zeker vijftig jaar oude racefiets dacht ik met een oosterbuur van doen te hebben. Weer eens van het padje af vroeg ik hem vriendelijk de weg naar de Hauptbahnhof van het plaatsje Worth Am Rhein. Na enige twijfel van zijn kant bood hij aan met hem op te fietsen, waardoor mijn gevoel bevestigd leek dat hij uit de buurt kwam. Dankbaar gebruik makend van zijn aanbod, peddelden we in zijn tempo, wat gezien de hitte zeer welkom was, door de mooie omgeving, toen hij plots vroeg of ik ook Engels sprak. Nog net niet stamelend vroeg ik hem of hij dan geen Duitser was. Johan was afkomstig uit Zweden en had er al een mooie ruk op zitten bleek. Hij zocht een hotel waar zijn bijna antieke racefiets negen weken kon stallen om daarna met het vliegtuig naar Napels te gaan. Zijn fiets zou hij dan later weer ophalen om verder huiswaarts te trekken. Zijn schamel lijkende kleding en alleen een klein geheimzinnig rolletje aan het stuur, stonden trouwens in schril contrast met een duur uitziend klokje aan zijn pols. Al keuvelend leek de weg naar het station voor ons beiden te vroeg te komen om als eindpunt te dienen van de gesprekken die we al fietsend hadden gevoerd. Met een warm hart (en misschien de break van eenzaamheid) vroeg ik Johan nog een kop koffie in de stationsrestauratie met mij te drinken. Johan was tweeënzeventig jaar en had tien jaar na het verlies van zijn vrouw opnieuw afscheid moeten nemen van zijn tweede vrouw. Hij had als Ingenieur voor een Nederlands bedrijf gewerkt en had na het overlijden van zijn tweede echtgenote nog een studie internationaal recht afgerond. Zijn eerste racefiets was zijn vriend geworden, waar hij geen afstand van kon en wilde doen. En het kleine rolletje aan het stuur..? Dat was een tweestoks tentje waar hij gedurende zijn reis soms in sliep. Enigszins weemoedig nam ik afscheid van Johan. De stille wens hem nog een maal weer te ontmoeten werd de volgende ochtend bewaarheid. In een afgelegen hoekje van de ontbijtzaal ontdekte ik Johan, die zijn koffiekopje neer zette en of het de gewoonste zaak van de wereld was vriendelijk naar mij zwaaide. Hij had inmiddels een vlucht vanuit Frankfurt geregeld en onderdak voor zijn karretje geregeld. Zou ik hem ooit weerzien? Het leven is als een nooit vertoonde film, zonder herhalingen. De mooiste fragmenten neem je mee. Dag Johan, mag het je goed gaan!

© J.G.Boomsma